Home Sociaal darwinisme

 

 

 Sociaal Darwinisme

 

 

 

Het sociaal-Darwinisme, die zich ontwikkelde uit de ideeën van Charles Darwin, leerde dat evenals in de dierenwereld ook in de mensenwereld alleen de sterksten in de strijd om het bestaan behoren te overleven. Eind 19de eeuw verschenen er veel nieuwe opvattingen omtrent het sociaal-Darwinisme.

In alle beschouwingen valt de nadruk op de erfelijkheidsfactoren. De sterkste overleven, en voor de zwakkeren is geen plaats meer in de samenleving.

Er werd uitgegaan van de opvatting van meegevoel als basis van alle moraal en zedelijkheid: het religieus absoluut stellen van het leven scheen harteloos tegenover het ongeneeslijk zieke individu, schadelijk voor de belangen van de samenleving, ook onverstandig en verouderd. 
 

Uiteindelijk verscheen in 1895 een boek over de grondlijnen van rassenhygiëne geschreven door Ploetz. Hij pleitte ervoor de zieken en zwakken niet te laten lijden en stelde voor, een instelling van een commissie van artsen, die bevoegd zou zijn euthenasie te plegen op zwakke en gedegenereerde burgers met een dosis morfine in het belang van de samenleving en het betreffende individu.

Zijn er mensenlevens die zo sterk aan de eigenschappen van het rechtsgoed hebben ingeboet, dat hun voortbestaan voor de dragers ervan zowel als voor de maatschappij duurzaam alle waarde verloren heeft?

Men spreekt dan over drie groepen van mensen:

1. Zij, die tengevolge van ziekte of verwonding reddeloos verloren zijn en die in het volledig bewustzijn van hun situatie de dringende wens naar verlossing hebben en deze op enigerlei wijze te kennen hebben gegeven.

2. Ongeneeslijk geesteszieken, die geen wil hebben noch om te leven noch om te sterven: hun leven is absoluut zinloos, maar zij ervaren het niet als ondraaglijk, voor hun familie evenals voor de maatschappij vormen zij een vreselijk zware belasting.

3. De tussengroep: geestelijk gezonde personen, die door een gebeurtenis bewusteloos zijn geworden en die indien zij al uit de bewusteloosheid bij zouden komen tot een nameloze ellende zouden ontwaken.


In al deze gevallen acht men euthanasie toegestaan.

Een geestelijk dode is niet in staat om in zichzelf een subjectief recht op het leven te beseffen, daarom is het 'ruimen' van een geestelijk dode niet gelijk te stellen met anderszins doden. Waar geen lijden is, is ook geen medelijden.

 

De werkelijke verlossers van de mensheid kunnen de artsen zijn. Is er een grotere barmhartigheid voor de mensen die de dood nabij zijn, die reddeloos verloren zijn, dan het sterven te bekorten en pijnloos te laten gebeuren? Ook voor zieken, die zo ellendig zijn, dat zij de macht over hun geestvermogens verloren hebben, gaat het recht op leven teniet. Er zullen veel stemmen opgaan, die op de pijnloze dood van geesteszieken zullen aandringen.

 

VFN