De rassenleer | Dieren passen zich fysiek aan hun omgeving aan, mensen echter veranderen hun omgeving en scheppen culturen. Bij de mens is het fenomeen ras nauw verweven met het fenomeen cultuur.
Als we de opkomst en ondergang van beschavingen als organisch proces bekijken, zien we dat een periode van bloei en schoonheid onvermijdelijk wordt afgelost door een periode van degeneratie en verval. Een beschaving is zo bezien een levend organisme dat geboren wordt en eeuwen later een natuurlijke dood tegemoet gaat, waarna weer een nieuwe cultuur tot leven komt.
De huidige rassen zijn – in hun reguliere betekenis – fossielen of gefixeerde beschavingen uit lang vervlogen tijden en vormen verschillende soorten weerstand waaraan de moderne mens zich kan ontwikkelen. Een aspect hiervan is de erfelijkheidslijn, tot uitdrukking komend in de bloedslijn.
De kern van de rassenleer wordt duidelijker als we uitgaan van twee tegen elkaar ingaande evoluties, een stijgende en afdalende evolutie. De opgaande evolutie staat voor vermenselijking, individualisering, (verwezenlijking van het Ik als geestdragend wezen.) De neergaande evolutie staat voor materialisering, verharding, het fysiek worden van alles wat oorspronkelijk geest en ziel was.
Aangezien geestelijke verworvenheden in hun tegendeel verkeren zodra ze puur lichamelijk worden, ondervindt de mens in zijn opgaande lijn een steeds sterker wordende weerstand van de neergaande lijn die we als individu moeten overwinnen.
In ieder afzonderlijk mens komen beide evolutiestromen samen, dat we ons kunnen voorstellen als twee tegen elkaar in draaiende wielen. De neergaande evolutie heeft bij vlagen de neiging de opgaande evolutie in de cultuur te overwoekeren.
Het streven naar raszuiverheid daarentegen werpt de mensheid terug in het oordelen vanuit het natuurlijk instinct.
Het leidende principe is de bloedlijn en het territorium. Ook het hiërarchisch indelen van mensen in soorten op basis van lichamelijke kenmerken, wat in het dierenrijk rechtmatig is, wordt overgebracht naar het rijk van de mens.
Het is duidelijk dat de Nationaal-Socialistische rassenleer van Hitler wetenschappelijk alleen opnieuw begrepen kan worden vanuit een vernieuwing van het biologische mensbeeld.
Onbekendheid met een evolutie in de zin van een morele ontwikkeling tot 'vrijheid' en 'liefde', leidt ertoe dat de huidige maatschappij vanuit het denken geen weerstand kan bieden aan de rassenleer van de Nationaal-Socialisten en deze uit pure onmacht tot taboe verklaren!
In de plaats van een helder individueel oordeel zoekt men zijn toevlucht in moralisme en het verbod om tot een zelfstandig oordeel te komen. Een klein groepje 'intellectuelen' bepaalt welke ideeën we als ‘soort’ mogen te hebben. |
VFN
|